Bahia

Bahia
Imbassai

woensdag 15 maart 2017

‘Onheil over Taitara’ van José J. Veiga

‘Onheil over Taitara’ begint veelbelovend. Een jongen, Lu, belooft zijn moeder alles op te schrijven wat er in Taitara is gebeurd sinds de komt van oom Balthasar. Maar de verwachtingen komen bedrogen uit. Er gebeurt inderdaad van alles. Zo richt oom Balthasar een organisatie op, de Companhia Melhoramentos de Taitara, de Maatschappij tot Verbetering van Taitara. Maar wat de companhia nu eigenlijk doet, lezen we niet. En dat is precies de makke van deze vertelling. Hij blijft oppervlakkig, gaat niet leven voor de lezer. Daardoor interesseert het me niet dat de Companhia dictatoriale trekjes krijgt, dat er muren worden gebouwd en dat de gieren samenleven met de bewoners van Taitara. Het lukt Veiga niet om de lezer – deze lezer althans - het verhaal in te trekken.

Mannen te paard
Ik moest mezelf dwingen om door te lezen. De achterflap beloofde me nog een zinderende relatie tussen Lu en zijn tante Dulce, maar ook deze episode scheert over de oppervlakte en laat de lezer teleurgesteld achter.
Nou vooruit dan, één levendige scène. De vader van Lu werkt een tijdlang als controleur voor de Companhia, maar vertrekt en wil een winkel beginnen. Tijdens een hevige regenbui schuilen twee mannen te paard in de winkel. En de paarden doen wat ze horen te doen: ze schijten en zeiken alles onder.
‘Onheil over Taitara’ verwijst naar de militaire dicatuur in Brazilië in de jaren zestig en zeventig, maar het blijft te abstract, de personages gaan niet leven, evenmin als de gebeurtenissen, en daarom raakt het niet. Mij niet tenminste.

José J. Veiga
José J. Veiga (1915-1999) was onder meer journalist voor O Globo en Tribuna da Impresa. In 1959 verscheen zijn eerste roman: ‘Os cavatinhos de Platiplanto’. ‘Sombras de Reis Barbudo’ verscheen in 1972 en werd in 2016 door Harrie Lemmens vertaald als ‘Onheil over Taitara’.