‘Onheil over Taitara’ begint veelbelovend. Een jongen,
Lu, belooft zijn moeder alles op te schrijven wat er in Taitara is gebeurd
sinds de komt van oom Balthasar. Maar de verwachtingen komen bedrogen uit. Er
gebeurt inderdaad van alles. Zo richt oom Balthasar een organisatie op, de
Companhia Melhoramentos de Taitara, de Maatschappij tot Verbetering van
Taitara. Maar wat de companhia nu eigenlijk doet, lezen we niet. En dat is
precies de makke van deze vertelling. Hij blijft oppervlakkig, gaat niet leven
voor de lezer. Daardoor interesseert het me niet dat de Companhia dictatoriale
trekjes krijgt, dat er muren worden gebouwd en dat de gieren samenleven met de
bewoners van Taitara. Het lukt Veiga niet om de lezer – deze lezer althans -
het verhaal in te trekken.
Mannen te paard
Ik moest mezelf dwingen om door te lezen. De achterflap
beloofde me nog een zinderende relatie tussen Lu en zijn tante Dulce, maar ook
deze episode scheert over de oppervlakte en laat de lezer teleurgesteld achter.
Nou vooruit dan, één levendige scène. De vader van Lu
werkt een tijdlang als controleur voor de Companhia, maar vertrekt en wil een
winkel beginnen. Tijdens een hevige regenbui schuilen twee mannen te paard in
de winkel. En de paarden doen wat ze horen te doen: ze schijten en zeiken alles onder.
‘Onheil over Taitara’ verwijst naar de militaire dicatuur in Brazilië in de jaren zestig en zeventig, maar het blijft te abstract, de personages gaan niet leven, evenmin als de gebeurtenissen, en daarom raakt het niet. Mij niet
tenminste.
José J. Veiga
José J. Veiga (1915-1999) was onder meer journalist voor
O Globo en Tribuna da Impresa. In 1959 verscheen zijn eerste roman: ‘Os cavatinhos
de Platiplanto’. ‘Sombras de Reis Barbudo’ verscheen in 1972 en werd in 2016
door Harrie Lemmens vertaald als ‘Onheil over Taitara’.

