Ik probeer me wel eens voor te stellen hoe het geweest moet
zijn voor de mannen die eind vijftiende eeuw over de eindeloze oceanen voeren
op zoek naar onbekend land. Ze hadden alleen de sterren die hen de weg wezen en
wisten niet wat ze konden verwachten. De situatie aan boord was ellendig en het
was de vraag of ze ooit weer thuis zouden komen of dat ze zouden eindigen als
vissenvoer.
Eerste schreden
Het prachtige boekje ‘De ontdekking van Brazilië’ bestaat
uit de brief die Pêro Vaz de Caminha in april 1500 schreef aan de koning van
Portugal over de eerste schreden die de mannen van de vloot van Pedro Álvares
Cabral zetten op de kust van wat nu Brazilië is èn uit een mooi nawoord van
vertaler August Willemsen.
De geschiedenis van de brief zelf is ook bijzonder. Hij bleef eeuwenlang bewaard in de Torre de Tombo, het Portugese staatsarchief. In
1807 vallen de troepen van Napoleon Portugal binnen en vlucht de Portugese
koning João met zijn hele hebben en houden naar Brazilië. Tien jaar later wordt
de brief van Caminha voor het eerst gepubliceerd in Rio de Janeiro, door pater
Manuel Aires de Casal.
Stormvogeltjes
![]() |
| De brief |
Mooi aan de brief van Caminha is dat hij alles wat
hij ziet zo objectief mogelijk probeert te beschrijven, terwijl tegelijkertijd in zijn woorden de opwinding doorklinkt van de ontdekking van een geheel nieuwe wereld.
Het eerste wat de mannen op de schepen zien, zijn stormvogeltjes en dan is er land in zicht. ‘Een grote berg, heel hoog en rond, en andere, lagere bergen, ten zuiden daarvan, en laagland met dichte bossen, en aan de hoge berg gaf de kapitein de naam Paasberg, en aan het land de naam Land van het Ware Kruis.’
Het eerste wat de mannen op de schepen zien, zijn stormvogeltjes en dan is er land in zicht. ‘Een grote berg, heel hoog en rond, en andere, lagere bergen, ten zuiden daarvan, en laagland met dichte bossen, en aan de hoge berg gaf de kapitein de naam Paasberg, en aan het land de naam Land van het Ware Kruis.’
Kleurige veren
De ontmoeting met de bewoners van het nieuwe land verloopt vriendschappelijk.
Caminha beschrijft hen als volgt: ‘Ze zijn donker van huid, enigszins
roodachtig, met mooie, welgevormde gezichten en mooie neuzen. Ze lopen naakt,
zonder enige kleding. Het maakt hun niets uit of ze hun schaamte bedekken of
laten zien, en hiermee tonen ze dezelfde onschuld als waarmee ze hun gezicht
laten zien.’ Wel draagt een aantal van hen hoofdtooien met kleurige veren en hebben
sommigen hun lichaam geverfd. Een opvallende observatie van Caminha is dat ze
geen enkele afgodendienst of vorm van aanbidding kennen. Voor hem reden om te
concluderen dat het niet moeilijk zal zijn hen te christenen.
Of er in dit nieuwe land iets te halen valt, specerijen of
goud, weet Caminha niet. Wel noemt hij het klimaat gunstig en gezond. Want ja,
daar ging het uiteindelijk om bij de ontdekkingsreizen: valt er iets te halen?
'A carta de Pêro Vaz de Caminha' werd in 1999 vertaald door August Willemsen en verscheen bij Meulenhof Amsterdam.
De originele brief bevindt zich nog steeds in het nationale archief Torre de Tombo in Lissabon.
De originele brief bevindt zich nog steeds in het nationale archief Torre de Tombo in Lissabon.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten